zondag



Een vrije dag hebben houdt in dat ik naar het station kan wandelen en op een vertrekkensklaar staande trein stappen zonder te weten waarheen hij rijden zal. Bij de conducteur is het mogelijk, mits een kleine toeslag, een kaartje te bekomen; altijd handig als je in tijdnood bent.
In mijn rugzak: pen, papier, een krant en een boek.
Misschien rijdt de trein wel naar Oostende, het uitgestrekte polderlandschap ongenadig in twee verdelend. Maar daar merk ik als reiziger niets van. Ook de dieren in de wei grazen rustig verder terwijl we langs denderen. Alleen een op haar zitvlak rustende koe kijkt ons verwonderd na.
Deze rit is niet zonder risico’s.
Eén ogenblik van onoplettendheid bij aankomst, en we rijden zo het water in.
Buiten het station wordt mijn adem me door felle windstoten ontnomen en is de lucht vol met gekrijs van meeuwen.
Ik werp me vooruit en beuk me een weg tegen de wind in naar het strand.







Het dringt reeds tot me door terwijl ik mijn ticket aan het betalen ben.
Ik sta aan het loket en een galmende stem laat weten dat de trein op dat ogenblik binnenrijdt, niet op spoor 3 of 4, maar op spoor 13 nota bene.
Dat ik deze trein onmogelijk nog kan halen, en dat de ruim op tijd zijnde, verveelde passagiers me met een mengeling van leedvermaak en onverschilligheid van achter hun raam zullen gadeslaan.
Vooral als de deuren zich klokvast en vlak voor mijn neus hermetisch sluiten, terwijl ik stampvoetend een vloek onderdruk.
Waarom moest mij dit verlangen naar de kust ook overvallen?
Waarom heb ik eigenlijk niet gewoon een ticket aan de conducteur gekocht?
Toch zet ik een stevige sprint in,
en, omdat er geen tijd meer is om hem dicht te ritsen:
-de rugzak open in mijn armen klemmend,
-het ticket dat tussen mijn lippen steekt proberend daar te houden door via m’n neus te ademen,
-het wisselgeld in mijn gebalde vuist verankerd.
Ik zucht en geloof m’n ogen niet, en zou de voeten van de conducteur wel kunnen kussen, die de ene keer dat het dan toch lukt, nu net vandaag laat zijn.



Ik kom bovenaan de roltrap en hoor het schrille fluitje terwijl ik naar de openstaande deuren hol die zich meteen achter mij sluiten, zodat ik er hijgend tegenaan kan staan terwijl de trein in beweging komt.
In de overvolle wagon speur ik naar de minst bezette zitbank waar ik door dichterbij te komen, een plaatsje afdwing. Met een weinig tegenzin worden tassen weggenomen en ruimte vrijgemaakt zodat ik de rit uit kan zitten.
Nergens vind je een hogere concentratie aan mensen die langs, door, soms zelfs rond je heen kunnen kijken.
Reizigers proppen hun bezittingen in een tas die ze met beide handen op hun schoot klemmen vooraleer ze zichzelf toestaan om in slaap te vallen.
Af en toe schrik ik wakker en merk dat er ondertussen andere, maar al even ongeïnteresseerde gezichten voor me plaatsgenomen hebben.







Wanneer twee treinen elkaar kruisen, toeteren ze, een kort door merg en been dringend fluitduet; niet omdat ze elkaars rivalen zijn, maar eerder zoals olifanten die elkaar vriendschappelijk begroeten.
Vaste reizigers herkennen het signaal en gaan dan ook onverstoorbaar verder met hun bezigheid hoewel een trein uit tegengestelde richting op nauwelijks een meter afstand met een rotvaart voorbijrijdt.
Terwijl anderen - die niets vermoedend aan het raam zitten waarachter koeien rustig in de schaduw van de bomen liggen - nu achterover in hun zetel gedrukt, instinctief, vol plotse doodsverachting met de armen slaan. Misschien zelfs iets geroepen hebben (ik weet het niet meer, maar het voelt alsof er me een noodsignaal ontsnapt is, ergens achterin mijn keel), voor iets dat amper enkele seconden duurt en weer verdwenen is, alsof het nooit is voorgevallen.
Langzaam herstellen de geschrokkenen van wat hen overkwam, in een omgeving die zich wonderlijk genoeg niets van hen aantrekt.
Dat er niemand opkijkt of lacht, maar dat de aanwezigen integendeel verder lijken in te dommelen, naar buiten staren of in gedachten verzonken langs me heen kijken, versterkt het opkomende schaamtegevoel alleen maar.
Later betrap ik me erop dat ook ik me niet in die beslissende seconden, wanneer twee treinen elkaar hebben begroet en voorbijgereden zijn, over een wit geworden van angst vertrokken gezicht ontferm, of het voorval met een geruststellende blik ontwricht.



Dinsdagnamiddag ergens halverwege januari, met de trein op zoek naar sneeuw: de lucht zit bol.
De weerman heeft een wit tapijt beloofd, maar dat lijkt ergens onderweg vast te zitten.
In Charleroi spuwt een hoge schoorsteen meterslange horizontale vlammen tegen hemelse gewelven.
Met niets anders kun je onbezorgder reizen.
Nergens heb je meer geestelijke privacy.
Maar je kunt ook nergens anders tussen meer mensen ingekapseld zitten en tegelijkertijd zo eenzaam zijn als op de trein.
Hulpeloos haal ik m’n schouders op naar een Chinese vrouw die met een kind op haar arm naar me toe komt en druk gebarend vragen stelt. Even later zie ik haar ratelend achter een radeloze conducteur aan sjokken.
Als ik uitstap is het donker, en vallen de eerste vlokken uit de lucht.



Terwijl ik op mijn aansluiting wacht in het buffet van een station, komt er een eindeloze goederentrein langs, roestige containers met graffiti volgespoten, getrokken door een robuuste diesellocomotief, en nog eentje, helemaal achteraan, die waar het nodig is, voor een extra duwtje zorgt.
Af en toe zijn de wagons volgeladen met wagens, tientallen, honderden stadsautootjes in alle kleuren van de regenboog, die dan straks op bestelling afgeleverd zullen worden. Daarna zullen garagisten met een enkel telefoontje hele gezinnen in een tijdelijke geluksroes onderdompelen.
Maar eerst mogen de uitverkoren voertuigen - het is in tegenstelling tot wat de argeloze reiziger denkt niet voor iedere wagen weggelegd - vooraleer ze in het echte leven stappen op reis met de trein, voor het eerst van snelheid proevend; voor het laatst zorgeloos naar een bestemming rijdend.



Reizigers die zelden of nooit gebruik maken van het spoor, kunnen onprettig verrast zijn wanneer zij merken dat ze, reeds aan boord maar nu nog wachtend in het station, het toilet niet mogen gebruiken zolang de trein niet in beweging is.
Het waarom hiervan wordt echter duidelijk als de trein eenmaal is vertrokken; de geduldige reiziger die zich in het mobiele toilet bevindt laat na het noodzakelijke te hebben gedaan, de inhoud van de closetpot door een druk op de daartoe bedoelde knop verdwijnen.
Een ogenblik lang sta je oog in oog met de werkelijkheid.
Met een hoeveelheid water wordt alles via een afvoerpijp naar buiten geloodst, en heel even krijg je kans om een blik op de sporen te werpen terwijl het geraas je oren verdooft. Wat je door het ronde gat ziet lijkt op de ruis van een tv-kanaal zonder ontvangst; een onscherpe grijze brij die een vertekend beeld van snelheid biedt.
Gelukkig wordt de afvoerbuis meteen daarna door middel van een pneumatische klep terug potdicht afgesloten, en kan ik verder met mijn leven.







Van alle kanten komen sporen samen alsof ze in het gelid geroepen worden. We rijden Gent St. Pieters binnen. Een man met een gele overal staat op een onoverdekt stuk perron. Hij draagt donkere, zware schoenen. Zijn kraag staat recht en bedekt een deel van het gezicht, ogen zijn tot fijne spleetjes samengeknepen en hij heeft de handen diep in zijn zakken. De trein gaat trager rijden, de reizigers komen langzaam overeind en beginnen, sommigen al pratend, hun jassen aan te trekken. De man staat onbeweeglijk, als een standbeeld. Nu en dan ontsnappen bijna tastbare ademwolkjes aan z’n lippen. Uit een achterzak puilt een vod. De man staart als bevroren voor zich uit.
Het sneeuwt.







Als we stilstaan, hoor ik het geraas waarmee winkeliers de stalen rolluiken van hun stalletjes neerlaten.
Samentroepende wachtenden verschuilen zich in dikke jassen waaruit kleine wolkjes opstijgen. Dan weer flitst de wereld voorbij, maar daar is weinig van te merken.
Soms word ik verrast door aanzwellend gerinkel, waarna ik amper een seconde lang de koplampen zie van een wagen waarvan de kleur en de inzittenden opgelost zijn in de duisternis.
Kleine lichtjes worden ramen waarachter mensen wonen.
Soms is er wat straatverlichting in de verte: het landschap als een schraal verlichte kerstboom.
Ritselende takken doen vermoeden dat we rijden door een bos.
Als je goed kijkt kun je het grillige silhouet van bomen onderscheiden.
De ruimte is doordrongen van een zoete weeë geur die uit het ventilatiesysteem lijkt te komen.
Het is alsof jij hier woont.
Als we van sporen wisselen, schokt je hele lichaam mee, maar wakker word je niet.
Waar droom je van?
Misschien ben jij al op je bestemming.



Uitdrukkingsloze gezichten boven dikke jassen, kranten of laptops. Een magere conducteur met lang, enthousiast krullend haar onder een strenge kepie. Een kleuter die een eindeloos deuntje brabbelt naast z’n met een dubbele kin op haar borst rustende moeder. Een bejaarde man die het kind zwijgend een chocolaatje toestopt.
En het is hevig beginnen sneeuwen, een ondoordringbaar gordijn waar de trein zich doorheen boort.
Zich plots geborgen voelen tussen al die vreemden.



Ik leg het boek opzij, de trein is als uit respect langzamer gaan rijden. In de diepte kijk ik op een verwaarloosd kerkhof neer. Daar liggen ze - de doden - in de schaduw van de berm, op een helling die nu en dan davert onder een langdenderende trein. Overwoekerde graven met onleesbare namen met hier en daar geknakte of scheefgezakte zerken netjes naast elkaar geschikt in niemandsland; zoals een bataljon soldaten dat van de strijd terugkeert met verwondingen aan het hoofd en ontbrekende ledematen, maar in stilte marcherend en in het gelid.
Vaders en moeders, kinderloze echtparen, onmogelijke relaties, liefdesrivalen, maar meer waarschijnlijk hebben ze elkaar nooit gekend. Ik kan alleen maar hopen dat ze ooit, al is het maar één keer in hun leven, de trein hebben genomen.



Ik wacht op een bankje in Brussel-Centraal. Omdat de zitjes op het perron met zicht op m’n bestemming volzet zijn, ben ik aan de andere kant gaan zitten, wat tenslotte op dezelfde kade is, alleen komt de trein nu niet langer voor, maar achter me aan.
Omdat er nog ruim een kwartier rest, en er eerst nog enkele andere treinen met uiteenlopende bestemmingen stoppen op dit perron, verdrijf ik de tijd met een boek.
Even later besef ik dat m’n trein al vertrokken is. Maar binnen het kwartier heb ik een nieuwe aansluiting met dezelfde bestemming. Als ik daarna plots opkijk blijkt dat ik ook deze verbinding heb gemist. Ik besluit een beetje beter op te letten en leg het boek opzij, vastbesloten de volgende trein, die trouwens alweer binnen het kwartier aankomt, te halen. Via een tekstberichtje op mijn gsm laat ik weten iets later op mijn bestemming te zullen zijn.
Wonderlijk genoeg haal ik deze keer m’n overstap en ben me aan het installeren wanneer tot me doordringt dat het boek ontbreekt.
Een tweede controle wakkert de onrust aan en in Brussel-Zuid stap ik af en neem de eerste trein terug naar Centraal.
Drie minuten later kom ik aan, maar het bankje is leeg.
Nu duurt het een klein halfuur vooraleer er opnieuw een verbinding is.
En er valt niets meer te lezen.







Op de trein stappen lijkt altijd weer op een beloning na het wachten op het koude, tochtige perron. Vooral als het halverwege de middag is, rustig op de trein, en het zonnetje de opgedroogde regendruppels op de ramen accentueert.
Het zachte schommelen maakt me loom, oogleden wegen als lood, ik dommel in, ik val, probeer geschrokken het naar beneden gezakte hoofd weer recht te krijgen, de ogen te openen, maar mijn lichaam geeft zich over aan het sussende gepraat dat overal vandaan lijkt te komen.
Jammer dat het moeder niet is die me wakker schudt, en me om m’n kaartje verzoekt.



Iemand staat al voor de grotendeels uit glas bestaande deur te wachten. Ik ben de tweede in een rij die nu snel een groep stilzwijgende mensen wordt.
Vanwaar ik sta, zie je onderaan de deur gelijklopende rails die, nu eens uiteen wijken en terugkeren; verschillende sporen die samenkomend nog snel een demonstratie in vereenvoudiging weggeven en tenslotte tot één spoor versmelten. Een glimmende metalen slang die wisselend onder de trein verdwijnt en opnieuw tevoorschijn komt; alsof ze zich afvraagt waar de andere slangen in godsnaam gebleven zijn. Wij mensen kunnen zoiets niet begrijpen.
Drie sporen.
Het is dan ook een klein station waar we zacht remmend binnenrijden.
Doordat de spoorlijn zich voor ons bevindt, wordt duidelijk dat het perron achter ons moet liggen. Wij, die vooraan staan, draaien ons om, waardoor we oog in oog met diegenen achter ons komen te staan, bij wie nu zichtbaar snel doordringt wat er aan de hand is. Niet geheel zonder schaamte keert de rest van groep zich om, waardoor ik me ineens achteraan bevind. Zo raak je er snel van overtuigd hoe relatief alles is.







De trein mindert vaart en komt tot stilstand, de deur opent zich met een diepe, voorgeprogrammeerde zucht. Overal staan kleine groepjes de reizigers op te wachten, om, wanneer de aangekomenen eenmaal uitgestapt zijn, op de trein te stappen en de vrijgekomen plaatsen in te nemen.
Alsof ze een bevel opvolgen.
Alsof ze een stilzwijgend overeengekomen afspraak met de vervoersmaatschappij nakomen, noodzakelijk om het evenwicht waardoor het voortbestaan van het spoor verzekerd wordt, niet te verstoren.
De deur sluit zich en de trein vertrekt, en dat afscheid steekt telkens weer, alsof ik van de paardenmolen ben gehaald, en het tot me doordringt dat alles nu weer verder gaat; een reis over het spoor offreert een verblijf in zorgeloosheid.
Met de trein is het alsof de tijd een beetje stilstaat.
De lichtjes verdwijnen in de verte en de aangekomen reizigers zwermen uit. Vermoeide bloemen in betonnen bakken proberen tevergeefs de boel wat op te fleuren. Uit een café voor het station komt gedempte muziek aangewaaid, af en toe kortstondig aanzwellend om dan weer weg te vallen.
Eventjes kan ik niets bedenken dat meer verlaten oogt, niets, dat er op dit verlate uur zo troosteloos bijligt als dit lege perron.
Mijn waardeloos geworden ticket prop ik in een overvolle vuilnisbak, en begeef me in de richting waaruit de muziek weerklinkt.

Als een mot op zoek naar licht.




© tekst en foto's: Rino Feys